Pictura Imaginis, afbeeldingen van afbeeldingen

[field_licencetype-term-raw] - [field_image_copyright-formatted]

Pictura Imaginis, afbeeldingen van afbeeldingen.

by-nc-sa

Het bedrijf Pictura in het Noord-Hollandse Heiloo digitaliseert voor Beelden voor de Toekomst in vier jaar tijd maar liefst 1,4 miljoen negatieven uit de archieven van het Nationaal Archief, Beeld en Geluid en EYE. Projectleider Olaf Slijkhuis leidt deze monsteroperatie in goede banen. Hoog tijd voor een interview.

Hoe heeft Pictura deze megaopdracht binnengehaald?
"Het consortium Beelden voor de Toekomst heeft een aanbesteding uitgeschreven en een testprocedure onder de aanbieders in gang gezet. Pictura is daarbij als beste uit de bus gekomen. De test bestond uit het digitaliseren van wat echt materiaal en van zogenoemde targets, testkaarten aan de hand waarvan met speciale software exact de kwaliteit van de digitalisering gemeten kan worden. Behalve dat we aan de strenge kwaliteitsnormen voldoen, speelt ook mee dat Pictura ‘om de hoek’ bij de archieven zit, zodat het materiaal geen lange afstanden hoeft af te leggen met alle risico’s van dien.” 
 
Om hoeveel materiaal gaat het eigenlijk?
“Voor Beelden voor de Toekomst digitaliseren we 550.000 6x6-negatieven uit het archief van Beeld en Geluid, 394.000 negatieven met diverse formaten uit het Nationaal Archief en ook nog 57.000 glasnegatieven (glasplaten met lichtgevoelige emulsie). Voor dat laatste gevoelige materiaal hebben we mobiele digitaliseersets ontwikkeld die we dus op locatie kunnen inzetten. Zodoende staan er nu twee digitaliseringsets in Den Haag bij het Nationaal Archief. Het grote voordeel daarvan is dat het materiaal in het gebouw kan blijven. Er zitten drie van onze mensen gedurende vijf dagen per week non stop te scannen. Die 57.000 glasnegatieven zijn overigens al afgerond. Daar hebben ze drie maanden over gedaan. Tot het einde van het jaar blijven ze in Den Haag gestationeerd om nog meer materiaal te digitaliseren.” 
 
Hoe is het materiaal dat je binnenkrijgt eraan toe?
“Wat we tot nu toe hebben gekregen, is over het algemeen goed. Heel soms zit er een scheurtje in een glasnegatief of is er een hoekje af. Dit wordt gewoon gedigitaliseerd, met scheur dus. Er is zover ik weet maar een collectie die er slecht aan toe is, dat zijn ingevroren acetaatnegatieven in Heerhugowaard. Die zijn aangetast door het azijnzuursyndroom oftewel tunnelingen. Voor het scannen worden ze heel even ontdooid, vervolgens in een restauratieatelier opgeknapt en direct weer ingevroren. Veel van die collecties bestaan uit persnegatieven die onder grote tijdsdruk behandeld zijn destijds. Vaak zijn ze bijvoorbeeld niet gefixeerd, men had gewoon snel een plaatje nodig.”
 

Het materiaal komt in ‘plukjes’ van 40.0000 negatieven per keer onze kant op.

 Hoe gaat het inscannen van de negatieven precies in z’n werk?
“We scannen met een zogenoemd ‘one shot systeem’, wat betekent dat je de negatieven op een lichtbak legt en daar vervolgens met een hoge resolutie digitale camera een foto van maakt. De negatieven worden daarbij handmatig en per stuk(!) op de plaat gelegd. Automatische doorvoer is niet mogelijk omdat de negatieven losgeknipt zijn. Alleen voor de negatieven van Beeld en Geluid hebben we een masker gemaakt waarmee we drie stroken tegelijk kunnen opnemen. Het materiaal komt in ‘plukjes’ onze kant op. Na goedkeuring gaan ze weer terug naar het archief. Die plukjes bestaan uit ongeveer 40.000 negatieven voor Beeld en Geluid, 7.000 negatieven voor het Nationaal Archief en 2.500 beelden voor EYE per keer Op dit moment zijn we voor het Nationaal Archief de Anefo-collectie aan het verwerken (jaren ’50 en ’60). Voor ons maakt de collectie trouwens niet zo heel veel uit. Een negatief is een negatief.”
“We hebben het digitaliseringsproces zo opgezet dat mensen zonder specialistische kennis (maar wel met een goed stel hersens) de klus kunnen klaren. Overigens is het waarschijnlijk een voordeel als de mensen hier niet te veel binding met het materiaal hebben, anders zouden ze voortdurend afgeleid worden door al dat moois dat aan hun ogen voorbij trekt. Het is wel vrij eentonig werk. Je bent per persoon toch 1000 keer per dag negatieven aan het doorschuiven. Het vergt zeker een behoorlijke concentratie.”
 

Negatief neerleggen, glasplaat erop, afdrukken, glasplaat eraf, negatief doorschuiven, glasplaat erop...... en dat een paar duizend keer per dag. Zelfs op zaterdag.

 
“Er werken bij Pictura 52 mensen in vaste dienst en we hebben heel veel studenten die als oproepkracht zijn ingehuurd. Totaal werken hier wel zo’n 100 man. Er wordt bij Pictura tot tien uur ’s avonds doorgewerkt en zelfs op zaterdag wordt er nog gescand...”
 
Is dit technisch gezien een bijzondere opdracht voor Pictura?
“De uitdaging ligt vooral in de enorme omvang van de opdracht en de fikse eisen die aan de kwaliteit gesteld worden. 5000 negatieven digitaliseren is voor ons niet veel, maar 1,4 miljoen negatieven binnen 4 jaar is andere koek. We gaan het overigens waarschijnlijk sneller doen dan in vier jaar. Samen met de klant (Beelden voor de Toekomst) zijn we overeengekomen dat alle negatieven worden ingescand bij 300dpi op A4-formaat. Om dat voor elkaar te krijgen moet je een kleinbeeldnegatief dan inscannen op minstens 2200dpi. Dit vergt high end camera’s met digitale achterwanden van 22 en 33 megapixel. Flatbedscanners, zoals je die veel bij particulieren ziet, zouden simpelweg te langzaam zijn. Een ruwe opname levert ongeveer 20MB per beeldje op. Per dag maken we ongeveer 4.000 beelden in Heiloo en 2.000 beelden op locatie bij het Nationaal Archief. De enorme hoeveelheid data die we genereren, wordt opgeslagen op servers hier bij Pictura. Via een supersnelle glasvezelverbinding die rechtstreeks op de internet backbone is aangesloten, sturen we diezelfde data ook naar onze servers in Amsterdam. Op die manier hebben we altijd een backup paraat. Er gaat alleen al voor Beelden voor de Toekomst dagelijks ongeveer 2 terabyte aan beelden door die glasvezelkabel.”
 
Wat gebeurt er met die ruwe bestanden?
"De ruwe digitale negatieven moeten nog overgezet worden naar een positief beeld en vervolgens gecropt (uitgesneden) en bewerkt worden. Het lukt voor 80% om die beelden automatisch te bewerken, maar voor de overige 20% is menselijk ingrijpen nodig. Het gaat bijvoorbeeld om onderbelichte of juist overbelichte opnames of beelden die in tegenlicht geschoten zijn. Die moet je toch met de hand corrigeren. Het croppen gebeurt trouwens niet in Nederland maar in India. Lage resolutie bestanden van de beelden worden door Indiase mensen geopend in een webbrowser. Zij maken vervolgens een uitsnede, zodat er geen storende zwarte randen meer zichtbaar zijn. De crop-coördinaten krijgen wij dan weer terug zodat we in het grote bestand dezelfde uitsnede kunnen maken. De hoge resolutie TIFF-bestanden worden uiteindelijk bij het Nationaal Archief, Beeld en Geluid en EYE zelf opgeslagen. In de beeldbank waar mensen thuis in kunnen kijken, belanden alleen de zogenoemde ‘topview-beelden’ die een lagere resolutie hebben.” 
 
Wat zou er volgens jou nog verbeterd kunnen worden in het proces van digitaliseren?
“Mogelijke innovaties liggen niet zozeer op het gebied van snelheid, maar meer in de kwaliteit van de opnames en automatisering van de nabewerkingen (contrast, helderheid, kleurcorrectie). Het croppen van de beelden zou misschien ook nog efficiënter kunnen. In de sector wordt bovendien nauwelijks onderling kennis uitgewisseld. De bedrijven die hetzelfde soort werk doen als wij zijn immers onze concurrenten. We delen wel kennis met onze opdrachtgevers om ook een steeds betere kwaliteit te kunnen halen.”
 
Hoe is het om voor een van de grootste digitaliseringsprojecten ter wereld te werken?
“Ik heb communicatiewetenschappen gestudeerd aan de Universiteit van Amsterdam en nu studeer ik nog kunstgeschiedenis naast mijn baan bij Pictura. Dat zorgt er samen met een passie voor fotografie voor dat ik me ook inhoudelijk betrokken voel bij het materiaal dat hier gedigitaliseerd wordt. Je krijgt ook materiaal te zien dat je niet zo snel in een museum zult aantreffen. Heel bijzonder. Maar echt lang kun je er niet bij stil staan, anders komt het werk niet af. Persoonlijk vind ik trouwens de beelden uit het archief van Beeld en Geluid het leukst omdat het een feest van herkenning is. Bijvoorbeeld opnamen van achter de schermen bij Willem Ruis of Ren je Rot... geweldig.”
 
 
Marcel Oosterwijk