Digitalisering audiovisueel materiaal erfgoedinstellingen: Modellen voor licenties en vergoedingen

Het project Beelden voor de Toekomst heeft als doelstelling om een grote hoeveelheid audiovisueel materiaal te conserveren, te digitaliseren en online toegankelijk te maken. Het digitaliseren en vooral het online toegankelijk maken van het materiaal gaat echter nog steeds gepaard met grote auteursrechtelijke problemen.

Hoewel het digitaliseren voor preserveringsdoeleinden op grond van art. 16n van de Auteurswet sinds 2004 onder strikte voorwaarden is toegestaan, dient voor openbaar hergebruik van gedigitaliseerd materiaal (bijv. door middel van websites of door (herhaalde) uitzending via radio of televisie) toestemming te worden gezocht en verkregen van, vaak talrijke, rechthebbenden. Voor Beelden voor de Toekomst betekent dit een rights clearance operatie van duizelingwekkende proporties. Daarnaast bestaat er grote onduidelijkheid over de hoogte van de voor hergebruik verschuldigde auteursrechtvergoedingen. Het consortium Beelden voor de Toekomst heeft daarom in oktober 2010 het Instituut voor Informatierecht (hierna: IViR) gevraagd om onderzoek te doen naar modellen voor licenties en vergoedingen voor massadigitaliseringsprojecten. 

David Korteweg en prof. Bernt Hugenholtz van het IViR hebben in de afgelopen maanden naar twee vragen onderzoek gedaan: 

  1. Hoe kunnen de door massadigitaliseringsprojecten ondervonden auteursrechtelijke problemen van rechtenbeheer efficiënt worden opgelost?
  2. Volgens welke grondslag kan een redelijke vergoeding worden gecalculeerd, waarbij recht wordt gedaan aan het recht van rechthebbenden op een redelijke vergoeding en het belang van erfgoedinstellingen en het algemene publiek bij een zo compleet mogelijk, optimaal toegankelijk en betaalbaar digitaal archief?

Met de publicatie van het onderzoeksrapport onderstreept Beelden voor de Toekomst de noodzaak van een aanpassing van de auteursrechtelijke kaders voor massadigitaliseringprojecten.

Rights clearance
Met betrekking tot de kwestie van rights clearance merken de onderzoekers op dat de actuele discussie over zogeheten ‘verweesde werken’ een groter en veel dieperliggend probleem versluiert. Het licentieprobleem bij grootschalige digitaliseringsprojecten is, zo wordt gesteld, niet zozeer gelegen in de onvindbaarheid van rechthebbenden, maar in het enorme aantal rechthebbenden waarvan toestemming verworven moet worden. 

Als oplossing voor dit probleem komen volgens de onderzoekers twee ondersteunende wettelijke maatregelen in aanmerking, die ervoor moeten zorgen dat de toestemming van rechthebbenden via Collectieve Beheersorganisaties (CBO’s) geregeld kan worden: 

  1. Het instrument van het gedwongen collectieve beheer van rechten, waarbij de voor digitaliseringsprojecten van erfgoedinstellingen benodigde rechten alleen collectief geregeld kunnen worden.  
  2. De algemeenverbindendverklaring van collectieve licenties, waarbij vrijwillige collectieve beheerregelingen ook op niet bij de betreffende CBO aangesloten rechthebbenden van toepassing verklaard worden. 

Beide maatregelen beperken rechthebbenden in hun mogelijkheden om rechten individueel uit te oefenen. De onderzoekers pleiten daarom voor opt-out regelingen voor rechthebbenden en voor een beperking van het bereik van een dergelijke wettelijke maatregel. Zo zou deze alleen voor erfgoedinstellingen met een publieke taak moeten gelden, en zouden werken pas een aantal jaren na publicatie in aanmerking moeten komen.

Vergoedingsgrondslagen: feitelijk en verwacht gebruik
Met betrekking tot de hoogte van de vergoedingsgrondslagen identificeren de onderzoekers twee verschillende benaderingen. Vergoedingen die gebaseerd zijn op het feitelijk gebruik door eindgebruikers van het digitaal beschikbaar gestelde materiaal; of vergoedingen die gebaseerd zijn op het verwachte gebruik door eindgebruikers en de verwachte (maatschappelijke) waarde van dit gebruik. 

Volgens de onderzoekers zijn er geen eenduidige objectieve criteria voor het bepalen van vergoedingen aan te wijzen en zullen de te betalen vergoedingen altijd een resultaat zijn van onderhandelingen tussen erfgoedinstellingen en CBO’s. Het onderzoeksrapport identificeert echter een aantal uitgangspunten voor licentievergoedingen die aan de belangen van rechthebbenden en erfgoedinstellingen voldoen. Zo is er een voorkeur voor licenties met onbepaalde tijd of lange looptijd, en zouden vergoedingen moeten bestaan uit een variabel (op basis van omvang van het gebruik) en een vast gedeelte (op basis van de aard van het gebruik). Wat het laatste element betreft, dient volgens de onderzoekers met het maatschappelijke belang van toegang tot erfgoed rekening te worden gehouden.

Het onderzoek naar de relatief jonge aanpak van licentiekwesties bij bestaande digitaliseringsprojecten, wijst uit dat partijen er veelal voor kiezen om de vergoeding te relateren aan de hoeveelheid materiaal dat digitaal beschikbaar wordt gesteld door de erfgoedinstelling. Het verwachte of feitelijke gebruik door de eindgebruiker van deze werken wordt (nog) niet in de vergoeding meegenomen. 

In deze context waarschuwen de onderzoekers voor het gevaar dat de in het kader van lopende pilotprojecten vastgelegde tarieven, een eigen leven gaan leiden. Ook al hebben dit soort overeenkomsten het karakter van een pilot, is het niet uit te sluiten dat de daarin opgenomen vergoedingsafspraken een eigen leven gaan leiden en de prijs, die in de betreffende ‘markt’ gebruikelijk is, zullen beïnvloeden. Volgens de onderzoekers dienen erfgoedinstellingen en de overheid met deze normerende werking van ’vroege’ licenties rekening te houden.